Orgeltranscripties
vanuit Bommel
Het Wolfferts-Heijneman orgel in Zaltbommel is een bijzonder geval in het Nederlandse Orgellandschap. Qua bouwgeschiedenis, dispositie en klank neemt het een unieke plaats in. Een groot aantal karakterstemmen als het Carillon en de Flautraver brengen kleur aan, de vele tertsregisters geven het instrument een duidelijk herkenbare sound. Waar de tongwerken zeer luid - en soms ook grofgebekt - zijn, zijn de grondstemmen juist rond en fluwelig van karakter. En karakter is nu net waar het bij dit instrument om draait. De vele uitgesproken registers geven de mogelijkheid tot het creëren van fraaie kleuren. En tegelijkertijd biedt het ook uitdagingen bij het vertolken van de canon van de orgelliteratuur. De mixturen - met tertsen - zijn bijvoorbeeld geen goede match met muziek van Bach en voorgangers, het bovenwerk komt tekort in veel Frans-romantisch repertoire. En daarom deze CD: louter transcripties! Muziek die mij de kans biedt om de kracht van het orgel optimaal te benutten: kleur en klankkwaliteit. Want die zijn beiden in ruime mate aanwezig. Op deze CD hoort u haast alle kleuren de revue passeren. Van de Fagot en het Carillon van het bovenwerk tot de Flageolet en Dulciaan van het rugwerk.
Toelichting
Felix Mendelssohn
Ouverture (uit Paulus)
Het oratorium Paulus (opus 36) van Felix Mendelssohn werd in 1836 voltooid en betekende zijn grote doorbraak. Het vertelt het verhaal van de bekering van Saulus tot apostel Paulus en laat goed horen hoe Mendelssohn zijn grote voorbeelden Bach en Händel wist te verbinden met de klanktaal van de 19e eeuw. Bij de première in Düsseldorf was het succes enorm: binnen anderhalf jaar volgden meer dan vijftig uitvoeringen in heel Europa.
​
Bijzonder is de ouverture, waarin het koraal Wachet auf meerdere keren terugkeert. Mendelssohn benadert dit thema onder meer met een oude vorm: de fuga. Tegelijkertijd maakt hij ook gebruik van brede orkestklanken, waardoor spanning en verwachting ontstaan. De Engelse organist William Thomas Best maakte van de ouverture een orgelbewerking. Best was in de 19e eeuw een beroemd recitalist, bekend om zijn virtuoze pedaalspel en zijn bewerkingen van orkestwerken. Zulke transcripties waren populair bij het publiek, vaak meer nog dan het oorspronkelijke orgelrepertoire.
​
Dat deze muziek in Zaltbommel klinkt, op het grote orgel van de Sint-Maartenskerk, is dan ook heel passend. Het instrument sluit qua stijl en klank prachtig aan bij Mendelssohns muziek. Reitze Smits, jarenlang organist van dit orgel, liet dit al eens overtuigend horen op een cd met Mendelssohn-bewerkingen.
Franz Liszt
Funérailles
Franz Liszts Funérailles is zonder twijfel het meest beroemde stuk uit de cyclus Harmonies poétiques et religieuses (1849). Het draagt de ondertitel Oktober 1849 en werd geschreven kort na de onderdrukking van de Hongaarse opstand. Het stuk wordt vaak gehoord als een treurmars (Marche Funèbre): een klankbeeld van kerkklokken, een zware rouwstoet en de herinnering aan gevallen helden.
​
De muziek bestaat uit verschillende delen die elkaar afwisselen. Eerst klinkt een donkere introductie, alsof van verre doffe klokken over een slagveld. Daaruit groeit de eigenlijke rouwmars in f-klein: zwaar, plechtig en onafwendbaar. Vervolgens ontvouwt zich een lyrische passage in As-groot, door Liszt aangeduid als lagrimoso (tranerig). Maar de stilte is van korte duur, want daarna barst de beroemde octavenpassage los – een heroïsch strijdmotief dat tot de grootste technische uitdagingen uit het pianorepertoire behoort. In deze orgelbewerking speelt dit geweld zich met name af in het pedaal – wat op het historische pedaalklavier in Zaltbommel vanzelfsprekend ook niet bepaald eenvoudig is. Uiteindelijk keren alle thema’s terug in een finale, waarin de mars steeds nadrukkelijker de toon zet.
​
In 2023 bracht de Amerikaanse organist Nathan Laube in Zaltbommel tijdens de Bommelse Orgelzomer een indrukwekkende orgelbewerking van Funérailles ten gehore. Dat concert maakte zoveel indruk dat ik besloot dit stuk zelf te studeren, gebruikmakend van de partituur en registraties die Nathan gebruikte bij het concert. Hoewel deze bewerking gespeeld wordt vanuit de originele pianopartij lijkt het mij niet meer dan terecht om zijn naam aan deze transcriptie te verbinden.
Sergej Rachmaninov
Corelli-variaties
Sergej Rachmaninov componeerde zijn Variations on a Theme of Corelli (opus 42) in de zomer van 1931, in zijn Zwitserse buitenhuis. Het werk is gebaseerd op het eeuwenoude thema La Folia, dat Corelli gebruikte in zijn vioolsonate opus 5 nr. 12. Rachmaninov schreef twintig variaties, voorafgegaan door het thema, onderbroken door een intermezzo en afgesloten met een coda. Het geheel duurt nog geen twintig minuten, maar binnen dat bestek schetst hij een rijk palet van sferen: van plechtige ingetogenheid tot virtuoos vuurwerk.
​
Kenmerkend is de vrijheid waarmee Rachmaninov met het materiaal omgaat. Soms is de Folia duidelijk hoorbaar, soms nauwelijks terug te vinden. Hij gaf zelf toe dat hij variaties oversloeg tijdens concerten wanneer het publiek te veel begon te hoesten – een ironische illustratie van zijn perfectionisme en zelfkritiek. Toch geldt dit werk als een hoogtepunt in zijn late oeuvre en een voorstudie voor de beroemde Rapsodie op een thema van Paganini.
​
Zelf ben ik altijd onder de indruk geweest van deze variaties, zowel in de pianoversie als in bewerkingen voor orgel. De transcriptie die op deze cd klinkt is van Reitze Smits, een van mijn leermeesters. Hij heeft in zijn rijke loopbaan vele muziekstukken bewerkt voor orgel. Het meest bekend is waarschijnlijk zijn bewerking van 'Variations Serieuses' van Felix Mendelssohn. Kenmerkend voor de transcripties van Reitze is dat hij er voor kiest om de 'orgelmatige' vertaling te maken en niet altijd uitsluitend de originele notentekst te volgen.
Thema
I: Poco più mosso
II: L’istesso tempo
III: Tempo di minuetto
IV: Andante
V: Allegro
VI: L’istesso tempo
VII: Vivace
VIII: Adagio misterioso
IX: Un poco più mosso
X: Allegro scherzando
XI: Allegro vivace
XII: L’istesso tempo
XIII: Agitato
Intermezzo
XIV: Andante
XV: L’istesso tempo
XVI: Allegro vivace
XVII: Meno mosso
XVIII: Allegro con brio
XIX: Più mosso, Agitato
XX: Più mosso
Coda.
Piotr Iljitsj Tchaikovsky
Delen uit 'De Notenkraker'
Tsjaikovski’s Notenkraker (1892) is een ballet vol fantasie, geschreven op basis van E.T.A. Hoffmanns sprookje De Notenkraker en de Muizenkoning. Het verhaal speelt zich af op kerstavond, waar speelgoed tot leven komt en een Notenkraker verandert in een prins. Hoewel de eerste uitvoering in Sint-Petersburg matig werd ontvangen, groeide het ballet later uit tot een wereldsucces. De muziek behoort inmiddels tot het meest geliefde werk van Tsjaikovski en wordt vaak uitgevoerd in de concertzaal, los van de balletvoorstelling.
​
Miniature Ouverture
De korte ouverture zet direct de sprookjesachtige sfeer neer. Met lichte, doorzichtige klanken opent Tsjaikovski de deuren naar een wonderlijke wereld vol fantasie en verwachting. In de orgelbewerking komen diverse uitkomende stemmen aan bod, waaronder de Fagot en de Vox Humana.
Marche Caractéristique
Deze mars klinkt tijdens het kerstfeest van de familie Stahlbaum. De ritmische energie en heldere melodie verbeelden de spanning en vrolijkheid van kinderen die hun nieuwe speelgoed bewonderen.
Dance of the Sugar Plum Fairy
Een van de bekendste delen van de suite. Hier introduceert Tsjaikovski de celesta, een destijds nieuw instrument, dat de sprankelende, bijna bovenaardse klank van de Suikerfee verbeeldt. De hoofdrol is hierbij weggelegd voor de Flageolet van het Rugwerk, afgewisseld met de Carillon van het Bovenwerk.
Russian Dance (Trepak)
Vurig en energiek – dit deel is geïnspireerd op Russische volksdansen. Met zijn snelle ritmes en uitbundige karakter is het een hoogtepunt van speelsheid. Met name de krachtige tongwerken zijn hier te horen, in combinatie met de Cornet van het Hoofdwerk.
Arabian Dance (Coffee)
Langzaam en zwoel. De exotische melodie en warme orkestratie scheppen een sfeer van mysterie en weemoed. De vertaling hiervan ligt voor de hand: de warme grondstemmen van het Wolfferts-Heijneman orgel soleren in dit deel!
Chinese Dance (Tea)
Korte, puntige frasen en speelse kleuren wekken een lichte, dansante sfeer op – een luchtig intermezzo in de reeks.
Dance of the Reed Flutes
Een sierlijke pastorale, waarin de houtblazers een zachte, wiegende melodie laten horen. Enerzijds vanwege de klavieromvang, anderzijds vanwege de benodigde klank wordt dit gespeeld op de Octaaf 4 en de Fluit 4 van het rugwerk, geoctaveerd.
Waltz of the Flowers
Het slotdeel van de suite is een van Tsjaikovski’s meest geliefde walsen. Groots en lyrisch, met een majestueuze opbouw die uitmondt in een schitterende finale, waarin de betoverende bloemenwals tot volle bloei komt. Het werk begint met een solo voor de harp, in deze bewerking wordt het uitgevoerd met de Flageolet van het Rugwerk. Diverse solisten komen door het stuk heen aan bod, zoals de Dulciaan in afwisseling met het ‘Carillon’. Naar het einde toe klinkt er een groots crescendo naar het volle werk.